VACCIN-studie
HPV vaccinatie is extreem effectief en beschermt tegen langdurige HPV-infectie en (voorstadia van) kanker. Bij de ontwikkeling van het vaccin is gebleken dat het vaccin geen therapeutische werking heeft. Hiermee wordt bedoeld dat het vaccin een bestaande infectie niet opruimt. Maar wat nu als je al een afwijking hebt? Heeft het dan wel zin om alsnog te vaccineren bij een behandeling?
De afgelopen jaren is hier, in Nederland, een groot onderzoek naar verricht. Hierbij is juist deze vraag geprobeerd te beantwoorden.
Voorlopers van baarmoederhalskanker worden ingedeeld naar de ernst van de afwijkingen, dit noemen we CIN: cervicale intra-epitheliale neoplasie.
CIN 1: lichte dysplasie (vaak spontane regressie)
CIN 2: matige dysplasie
CIN 3: ernstige dysplasie / carcinoma in situ
Een CIN 1 behandelen we over het algemeen niet. De andere afwijking kan je weghalen door een klein stukje van de baarmoederhals te halen. Hierbij wordt het virus zelf niet behandeld.
In deze studie hadden alle vrouwen een CIN 2 of een CIN 3 en waren zij niet eerder gevaccineerd tegen HPV. De helft van de vrouwen na een behandeling alsnog een HPV vaccinatie gekregen en de andere helft een placebo. Alle vrouwen werden vervolgd gedurende 2 jaar.
In totaal deden 840 vrouwen mee. In de HPV vaccinatiegroep hadden 23 vrouwen gedurende 2 jaar wederom een CIN-afwijking en in de placebogroep 35 vrouwen. Dit is een statistisch niet significant verschil en kan dus ook op toeval berusten. Hetzelfde werd gezien voor de aanwezigheid van het HPV virus.
De conclusie van dit artikel is dat het verschil te klein is om iedereen bij een behandeling van een voorloopstadium baarmoederhalskanker alsnog een HPV vaccinatie aan te bieden.
De afgelopen jaren is hier, in Nederland, een groot onderzoek naar verricht. Hierbij is juist deze vraag geprobeerd te beantwoorden.
Voorlopers van baarmoederhalskanker worden ingedeeld naar de ernst van de afwijkingen, dit noemen we CIN: cervicale intra-epitheliale neoplasie.
CIN 1: lichte dysplasie (vaak spontane regressie)
CIN 2: matige dysplasie
CIN 3: ernstige dysplasie / carcinoma in situ
Een CIN 1 behandelen we over het algemeen niet. De andere afwijking kan je weghalen door een klein stukje van de baarmoederhals te halen. Hierbij wordt het virus zelf niet behandeld.
In deze studie hadden alle vrouwen een CIN 2 of een CIN 3 en waren zij niet eerder gevaccineerd tegen HPV. De helft van de vrouwen na een behandeling alsnog een HPV vaccinatie gekregen en de andere helft een placebo. Alle vrouwen werden vervolgd gedurende 2 jaar.
In totaal deden 840 vrouwen mee. In de HPV vaccinatiegroep hadden 23 vrouwen gedurende 2 jaar wederom een CIN-afwijking en in de placebogroep 35 vrouwen. Dit is een statistisch niet significant verschil en kan dus ook op toeval berusten. Hetzelfde werd gezien voor de aanwezigheid van het HPV virus.
De conclusie van dit artikel is dat het verschil te klein is om iedereen bij een behandeling van een voorloopstadium baarmoederhalskanker alsnog een HPV vaccinatie aan te bieden.